Kansen voor de Veenkoloniën

Vandaag was ik bij een symposium, ge-organiseerd door ‘Kansen voor de Veenkoloniën’. Dat lijkt nodig, want het gaat daar niet allemaal even goed. De meeste werkloosheid, de laagste inkomens, de laagste levensverwachting, de meeste kinderen met overgewicht van het land. Iemand die een opleiding gedaan heeft, blijft niet in Oost-Groningen. Er lijkt een achterstand in alles, het is een krimpregio.
Er werd een aantal tabellen getoond die een en ander aanschouwelijk maakten. Er volgden twee ‘workshops’.
De ene ging over gezondheidsvaardigheden, toegespitst op analfabetisme. Een zeer groot deel van de regio bewoners kan niet lezen of heeft daar grote moeite mee. Hoe herken je ze? Hoe benader je ze? In Winschoten is er in ieder geval het Taal centrum, waar lees cursussen gevolgd kunnen worden.

De tweede werd verzorgd door een aantal ervaringsdeskundigen armoede. Zij hadden alle hun eigen verhaal over de oorzaken en gevolgen van armoede. Daar werd het wat op toegespitst, naar mijn idee ging eigenlijk meer over een cultuur van onwetendheid. Het ging over scheidingen, losse relaties waar weer kinderen uit geboren werden, de angst dat die kinderen dan weer afgenomen zouden worden. Maar ook: de barrière van de bureaucratie. U kunt geen uitkering krijgen want u hebt geen adres en geen paspoort. U kunt geen huis krijgen want u hebt geen paspoort. U kunt geen daklozen uitkering krijgen want u bent zwanger. En als u na de geboorte van het kind geen huis hebt, wordt het kind afgenomen. Etc.
Het is een ellendige wereld waarin elke hulpverlener met grote argwaan wordt bekeken. Er wordt vooral mooi weer gespeeld, want de angst je kinderen te verliezen is groot.
Als hulpverlener sta je machteloos omdat je niet vertrouwd wordt.
Ik herken in dit alles het standpunt van Theodore Dalrymple. Armoede is een symptoom van een zichzelf in standhoudende cultuur van onwetendheid, generatie op generatie. De ervaringsdeskundigen die nu een opleiding in die rol volgen, zouden weleens een heel belangrijke rol kunnen spelen.

 

De rand van Nederland

Nederlanders houden van steden, zo is mijn idee. Daar speelt het ‘echte’ leven zich af. Daarbuiten heerst barbarij en boeren onbenul. Naar de grensstreek is het nog erger, want daar houdt Nederland op!
Er zijn inderdaad wel enige plekken aan te wijzen waar het gevoel dat de wereld hier ophoudt wel te begrijpen is. Het ‘Ruiten-A kanaal’ is zo’n grens. Verlaten, stil (naar randstedelijke begrippen) maakt het de indruk dat de beschaving voorbij deze grens ophoudt. Dat maakt het ook weer heel uniek! Als je na het toeristische geweld van de Vesting Bourtange even doorloopt, tref je een hele nieuwe wereld aan, het ‘rand van de wereld’ gevoel. Dat het Paaseiland vanaf deze plek gekoloniseerd is, wordt hier duidelijk…

Zie vooral ook HIER…

 

Dutch side of the border

Als oprechte grensbewoner zie ik ook de andere kant van de grens, ‘Gene Zijde’, Groningen. Ik houd dat scherp in de gaten! In Nederland, maar heel duidelijk in Groningen, zie je een soort taalstrijd.
In het Nederland als geheel is men druk doende het Nederlands over te laten gaan in een soort ‘Pidgin 
Engels’. En dan niet als tweede taal, maar als hoofdtaal met bijbehorende uitspraak. Dat de ‘r’ al lang en breed verdwenen is, is symptomatisch. Ik hoor zo nu en dan mensen die vroeger een gewone ‘r’ hadden en nu ineens een vreselijk gepolijste Amerikaanse ‘r’. Over het aantal Engelse woorden dat het Nederlands ondertussen is binnengeslopen zal ik het later hebben. Feit is dat in bv de Evangelische Kerken het Engels als het nieuwe Latijn wordt gebruikt. Wijsheidsspreuken op bordjes, stickers(!) en vooral op Facebook zijn vrijwel altijd het Engels, dat lijkt mooier. Nederlands wordt eigenlijk als niet helemaal echt, een beetje achterlijk weggezet. ‘Motherfucker’ klinkt toch aanmerkelijk beter dan moederneuker, of niet dan? En wie roept er nou “Poep!” Dat moet toch echt “Shit” zijn! Engels als tweede taal, dat riep Rutte ook al. Maar we worden niet tweetalig. We worden halftalig.
Maar wacht, er is iets vreemds aan de hand. Want Engels is beter dan Nederlands, maar Nederlands (lees ‘Hollands’) is weer veel beter dan Saksische dialecten Twents, Drents, Gronings). Want die zijn ‘boers’ en dus achterlijk. Op het Journaal zul je dus nooit iemand horen die ‘ennetjes inslikt’[1]. De ‘zachte g’ mag wel, elke Hollandse tongval ook, desnoods licht Fries. Dat is goed doorgedrongen in Groningen. Het gevoel een minderwaardig taaltje te spreken heeft gevolgen voor het dagelijks leven. Een aantal oorzaken zijn de houding van de rest van het land en de scholen. 
In Groningen is men nu van mening dat Gronings lelijk is. Je krijgt er een achterstand van. En kinderen die Gronings spreken, nee, dat kan ècht niet! Ollands, dàt is het! En Engels!
Nu is het in het verleden inderdaad vaak voorgekomen dat kinderen alleen in dialect werden opgevoed. En als je dan later met Nederlands aan de slag moet, ja dat is even slikken. Maar het lukt wel. Belangrijk is dat men in Nederland, en vooral ook in Groningen, meer oor moet hebben voor TWEETALIGHEID. Er is niets mis met Gronings, dat hangt af van hoe je het gebruikt. Er zijn in Groningen gebieden zijn waar men actief tweetalig is en dat gaat prima. Als je daar geen beleid op hebt, geen afspraken over maakt dan gaat het niet goed. Bijvoorbeeld: “Tegen de kinderen praten we Ollands, maar tegen elkaar Gronings”. Dat is geen tweetaligheid, dat is halftaligheid. Een fenomeen dat we ook in het Nederlands hebben met de overdadige aanwezigheid van het Engels.
Naar mijn mening is het Gronings van kleine kinderen zeer charmant. Buig niet voor de neerbuigendheid van westerlingen met hun rare uitspraak en ‘Gooische R’. Proat plat!

 

[1] Het leuke hier in Duitsland is dat ze hier het Saksisch hebben uitgevonden. Hier hòòr je ‘ennetjes zu verschlucken’ Als je dat niet doet, word je nooit nieuwslezer! Ik doe het hier naar hartelust. Herrlich!

Gaswinning

NAMDe laatste weken is er veel te doen over de aardgaswinning en de aardbevingen. In Groningen is men het papzat. Niet dat nu alle huizen op instorten staan, zo is het gelukkig (nog) niet. Ik woon al erg lang in Groningen en ik heb gemerkt dat het thema leeft. Meestal op feesten of andere plekken van discussie, langzamerhand zag ik de onvrede groeien, ook bij mijzelf.

Napoleon Bonaparte bepaalde dat bodemschatten niet aan de eigenaar van de bodem toekomen, maar aan de staat. Had hij dat niet bepaald, dan was Groningen nu één van de rijkste gebieden ter wereld. Het mocht niet zo zijn. Maar het is wrang dat een bodemschat die in principe dan aan iedereen behoord grotendeels (88% zag ik op het Journaal) opgaat aan de randstad en dat Groningen, Friesland en Drenthe samen 1% mogen delen. Wrang is ook dat al dat geld opgegaan is aan de WAO, de Betuwelijn en allerlei andere zaken. Als je bedenkt dat we nu al een begrotingstekort hebben, hoe zal dat zijn als het gas op is? Een gat van 30 miljard per jaar? Griekse toestanden? Onze kinderen, kleinkinderen etc. zullen geen plezier hebben van al die miljarden, zij blijven zitten met een verzakte bodem en een gigantische staatsschuld. In Noorwegen worden alle olie en gas inkomsten opgespaard voor de komende paar honderd jaar en draait de economie in ieder geval voor een groot deel niet op de olie. Wat hier gebeurt noemt men daar de ‘Dutch Disease’. Dit alles is een stuitend staaltje van politiek korte termijn denken. De situatie zal nu dan ook door sommige partijen benut worden om lokaal stemmen te werven. O ja, in Groningen wordt ook nog magnesium gewonnen, de grootste mijn ter wereld met deze kwaliteit magnesium. Geeft ook bodemdaling. In de zoutkoepels bij Winschoten wil men radio-actief afval opslaan. Daarnaast krijgt Groningen het grootste aantal windmolens, ook al waait het hier minder hard dan aan de Hollandse kust.

In de Elsevier van vorige week werd Groningen nog afgeschilderd als een niet meer te redden, achtergebleven gebied. Emigreren?

Bewaren