Inleiding tot de Phaenomenologie van den Godsdienst – G. van der Leeuw

“Ich bin, alles Nicht-Ich ist bloß Phänomen”
Het gaat hier om de phaenomenologie van de godsdienst. Een fijne aanvangsspreuk van Goethe wordt gebruikt: ‘Den das ist der Natur gehalt, dass aussen gilt, was inner galt’. Dit is een boek dat ontstaan is in de periode voor en na de oorlog. In die tijd ‘had men wat met Duitsland’.
De schrijver is -geheel in de traditie van Husserl- van mening dat fenomenen spoediger te vinden zijn in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoeker dan in een grijs verleden. (“Die Phänomenologie ist die Lehre von den Erscheinungen im Sinne einer reinen Wesenschau”).
Belangrijk is het vinden van de phaenomenologische houding. Dat gaat over beleven, begrijpen en spreken. Je observeert wat er gebeurt, je duidt een en ander (‘geeft het zin, betekenis’) en keert dan terug. Je creëert een ‘Erlebter Strukturzusammenhang’. Phaenomenologie is niet een fantasie op historische motieven, zij is veeleer een uiterst radicaal empirisme, ‘insofern für alle Sätze und Formeln… eine Deckung im Erlebengehalt notwendig ist’. Religie is niet alleen ervaring, het veronderstelt ook openbaring!
Hoewel er in het boek wel literatuurverwijzingen staan, is het bar weinig. De schrijver gaat heerlijk associatief te werk, plukt van alles bij elkaar en komt dan tot een vorm van een samenhangende, ietwat poëtische conclusie. Maar die conclusie is bijzonder invoelbaar en klopt ook met de schrijver aan het begin aangeeft. Je moet sommige dingen gewoon ervaren, zelf voelen. Phaenomenologie dus…

Allereerst ‘mana’. Een woord afkomstig uit Polynesië en een breed voorkomend verschijnsel. Mana houdt in dat bepaalde voorwerpen of mensen of wat ook, een bepaalde kracht hebben. Het is een inherente, soms moeilijk te definiëren kracht. Maar een steentje waarmee je bepaalde associaties hebt kan een mana hebben. Sommige mensen hebben een hoog mana, bv een arts, of een koning. Een koning behoort een hoog mana te hebben, zie later.

Als zo’n voorwerp een voorwerp van verering wordt, dan wordt het ‘fetisjisme’. Een bekend voorbeeld is de ‘Ark des Verbonds’. Als die uit Israël verdwijnt, is het goed mis en zal er geen overwinning op de vijand kunnen zijn. Dergelijke voorbeelden zijn er wel meer, bijvoorbeeld Excalibur, amuletten, relikwieën.

Een stapje hoger vind je de ‘ kracht’ , of ‘ macht’. Ook deze is onpersoonlijk. De kracht omspant eigenlijk alles. Het hele universum hangt af van de kracht. Ook latere goden konden niet om de Kracht heen. Brahman is zoiets, ṛta ook. Die kracht wordt later vergoddelijkt en is blijkbaar overdraagbaar: bijvoorbeeld de ‘Genade Gods’ is een soort wondermacht geworden door God aan de mens verleend. In het Katholieke is ‘ de genade van de Heer Jezus Christus’ eigenlijk weer verworden tot een onpersoonlijke kracht die door de kerk uit een onuitputtelijke voorraad kan worden uitgedeeld.
De mensheid heeft ten alle tijde een voorraad kracht verkozen boven een levende persoon. ‘ Primitieve’ ideeën keren over het algemeen ook in moderne religies terug. Als je Bijbel goed leest, zijn ook daar wel hogere krachten aan te wijzen waaraan GOD onderworpen is.Wijsheid, gerechtigheid.
De termen ‘ animisme’ en dynamisme’ worden behandeld. Een voorbeeld van animisme: iemand kneedt een kerstbrood, omarmt met de armen nog vol deeg een boom om de kracht over te dragen. Animisme: de boom wordt toegesproken en vermaand om vrucht te dragen, anders zal hij omgehakt worden.
Verschillende archetypes worden verder besproken, die van de vader bv, welke rol speelt die in mythen en religies. Maar ook uiteraard de moeder (grote rol), de zoon, dochter, bomen, vuur.
Kortom een inzichtgevend boek dat je wat leert relativeren. Niets is wat het lijkt, als je maar goed kijkt.
De schrijver is dominee in de dertiger jaren en zijn kerkenraad leest ongetwijfeld mee. Daarom kom je af en toe een wat dogmatische, maar korte opmerking tegen. Ze vallen op omdat ze niet in het boek passen. Aanrader.